Banjo


banjo

De banjo is een snaarinstrument met stalen snaren en fretten waarbij de kam op een strak gespannen vel rust Dit vel is tegenwoordig meestal van kunststof. Deze constuctie bezorgt de banjo zijn karakteristieke geluid. Het zorgt ervoor dat de energie die bij het bespelen van de snaren wordt toegevoerd zeer snel weg kan en derhalve een kort maar hard geluid produceert. De hals heeft meestal fretten, maar er bestaan ook fretloze exemplaren. De snaren zijn meestal van metaal, maar nylon wordt ook gebruikt en in het verleden was darm gebruikelijk. Het instrument en de naam is afgeleid van de banjar, een Afrikaans snaarinstrument. Banjo's zijn er in soorten en maten en allerlei stemmingen. -


De 5-snarige of bluegrassbanjo:


Deze banjo is g-C-G-B-d gestemd met een extra 5e snaar die bij de vijfde fret begint. De bluegrassbanjo wordt, zoals de naam al aangeeft, met name gebruikt in de Bluegrass muziek. De 5-snarige banjo wordt doorgaans met fingerpicks gespeeld; een soort op de vingers te klemmen plastic kunstnagels. Vaak wordt hierop de drie-vingerige stijl gebruikt die is geintroduceerd door Earl Scruggs. Er bestaan vele verschillende stem-schema's voor de vijfsnarige banjo. De meest gebruikelijke hiervan is de open G stemming: gDGBd. Voordat deze in zwang raakte was de gCGBd stemming gebruikelijk. Andere stemmingen uit de old-time music zijn double C (gCGCd), sawmill (gDGCd), en open D (f#DF#Ad). Deze stemmingen worden vaak omhoog getransponeerd door gebruik te maken van een capo. De (bovenste) vijfde snaar heeft dezelfde dikte als de eerste maar is vijf frets korter wat overeenkomt met 3/4 van de lengte. Dit levert een probleem op als gebruik wordt gemaakt van een capo. Voor kleine stemwijzigingen kan dit worden opgevangen door de vijfde snaar te herstemmen. Voor grotere toonwijzigingen zijn diverse apparaatjes beschikbaar op de effectieve lengte van de snaar te bekorten.


Plectrum-banjo:


De plectrum-banjo heeft vier snaren en is meestal gestemd als CGBd. Zoals de naam al doet vermoeden wordt het meestal met een plectrum bespeeld, De plectrum-banjo ontstond uit de vijf-snarige om te voorzien in de behoefte van andere muziekstijlen die vroegen om vol aangeslagen akkoorden (strumming).†


Tenorbanjo:


Een andere ontwikkeling is de tenor banjo met vier snaren en doorgaans met een plectrum wordt bespeeld. Het instrument heeft een kortere hals en is meestal CGDA gestemd (net als een altviool) of GDAE (als een viool) maar dan een octaaf lager. De tenorbanjo wordt vooral in Dixieland Jazz gebruikt. Het is een van de weinige snaarinstrumenten die hoorbaar blijft zonder versterking tussen koperblazers. De tenorbanjo wordt als akkoordinstrument met een plectrum bespeeld. Het is ook een standaard instrument in de Ierse volksmuziek geworden.


Er bestaan een aantal hybride instrumenten waarbij de banjo is 'gekruist' met een ander snaarinstrument. Meestal betreft het hier een combinatie van de klankkast van een banjo (vaak met resonator) met de hals van een ander instrument. Hiervan zijn de gitaar-banjo, de mandoline-banjo en de ukulele-banjo. Deze waren vooral populair in de eerste decennia van de twintigste eeuw en ontstonden waarschijnlijk om het bespelers van andere instrumenten mogelijk te maken gebruik te maken van het penetrante banjo-geluid toen elektrische versterking nog niet beschikbaar was.†


Mandolinebanjo:


De mandolinebajo is G-D-a-e gestemd, wordt bespeeld als een mandoline maar klinkt als banjo. Veelal gebruikt door mandoline spelers die - veel - meer volume nodig hebben. Wordt evenals de mandoline met plectrum bespeeld, waarbij vanwege de dubbelkorige snaren soepel tremolo mogelijk is. Meestal wordt de mandolinebanjo als melodieinstrument gebruikt. -


Gitaarbanjo:


De gitaarbanjo is E-A-D-G-B-e gestemd, wordt bespeeld als een gitaar maar klinkt als banjo. Ook hier weer gebruikt voor een andere klankkleur en/of meer volume door gitaristen. Er zijn ook combinaties bekend van de hals van een vijf-snarige banjo op een houten klankkast, zoals de bouzouki, maar deze zijn behoorlijk zeldzaam.