Pauk


De pauk is een keteltrom met een vaste toonhoogte. Op een koperen of kunststof ketel (doorsnede 50 tot 80cm) is een vel gespannen. Vroeger gebruikte men kalfshuid, maar tegenwoordig steeds vaker ook synthetisch vervaardigde vellen. Door met een stok/knuppel mallet op het vel te slaan zal een bepaalde toon klinken. De toonhoogte is afhankelijk van de spanning van het vel en de plaats waarop het vel geraakt wordt. De grootte van de eronder liggende resonantieruimte bepaalt in welk toonbereik de pauk gebruikt kan worden. De klankkleur is sterk afhankelijk van het gebruikte materiaal van de kop van de stok (kurk, leer, vilt) en van de plaats waar het vel geraakt wordt, en - in veel mindere mate - de constructie van de pauk. De eigenfrequenties van een vel gedragen zich veel minder eenvoudig dan bijvoorbeeld die van een vioolsnaar. Een vel in een pauk zal gaan trillen met verhoudingsgetallen: 0.85 : 1.0 : 1.51 : 1.99 De eerste eigenfrequentie is die van het vel als dat precies in het midden aangeslagen zou worden. Dit ervaren we echter niet als de grondtoon. De - veel luidere maar niet noodzakelijk harmonische - boventonen bepalen wat we ervaren als de grondtoon. Waar die een verhouding van ongeveer 2:3:4 te zien geven ervaart ons oor de grondtoon. Er bestaan verschillende soorten: Machinepauk - Bij de machinepauk wordt de velspanning geregeld met een hendel. De meeste moderne orkestpauken zijn uitgerust met een pedaal dat de spanning in het vel regelt. Met een mechaniek van trekstangen wordt de positie van het pedaal omgezet in de gewenste velspanning. Voor het gemak van de paukenist wordt een toonwijzer toegevoegd om een visuele indicatie te geven van de velspanning. De toonwijzer geeft daarbij grofweg aan op welke noot de pauk ingesteld staat. Pedaalpauk - De pedaalpauk kun je door een voetbeweging verstemmen. Draaipauk - Bij deze pauk moet je de ketel in het voetstuk draaien om het vel anders gestemd te krijgen. Schroefpauk - Bij deze pauk wordt het vel gespannen door een aantal schroeven aan te draaien.