Hoorn


hoornDe hoorn is een koperen blaasinstrument waarvan de buis is opgerold in de vorm van een cirkel. De totale buislengte van het instrument is ongeveer 4 meter. Oorspronkelijk werd de hoorn gebruikt voor het geven van signalen. Zo'n signaalhoorn had geen ventielen. De hoorn die nu in het orkest gebruikt wordt heeft wť¨ ventielen (bij de trompet vindt je meer informatie over het gebruik van ventielen). Het instrument vervult een belangrijke rol in het symfonie-orkest. Hierin spelen vier tot zes hoornisten mee die zijn onderverdeeld in hoge en lage blazers.De hoorn kwam voor het eerst in orkesten voor om het geluid van de jachthoorn te verklanken, maar komt nu voor in allerlei soorten muziek. Het geluid wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen van de speler tegen het trechtervormige mondstuk. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden. De klank van de hoorn kan enigszins gedempt worden door de hand in de beker te houden. GESCHIEDENIS De hoorn als muziekinstrument stamt af van de dierenhoorn. Door een gat aan het eind of aan de zijkant kon je door je lippen te laten trillen, tonen maken. Tussen de 12e en 16e eeuw gingen ze van de eenvoudig gekromde vorm van een dierenhoorn over op de gewonden vorm, waaruit zich de 18e-eeuwse natuurhoorn ontwikkelde. Op een natuur- of jachthoorn kon je alleen de grondtoon en zijn boventonen spelen, dus bijv. c-groot, g, c-klein, e, g, bes, c1, d, e, fis, g, a, bes, b, c2, d, e. Door het zgn. stoppen (het inbrengen van de hand in de beker) werden deze natuurtonen een halve toon (soms meer) verlaagd. Om stukken in verschillende toonsoorten te spelen, bracht in 1754 een idee van de Dresdener Hampel uitkomst: de inventiehoorn. Bij de hoorn werd een serie rondgebogen buizen geleverd met verschillende lengte. Deze buizen waren simpel uitwisselbaar, waardoor het mogelijk werd om snel (en zuiver) te wisselen van toonsoort. Voor dit soort hoorn heeft Mozart zijn hoornconcerten geschreven. Pas toen de ventielen aan de hoorn werden toegevoegd (eerst 2, later 3) werd het mogelijk alle chromatische tonen te produceren. Richard Strauss was een van de eerste die voor ventielhoorn schreef, maar Brahms en von Weber waren grote tegenstanders. Brahms noemde de ventielhoorn spottend een Blechbratsche. Later werd de dubbelhoorn ontwikkeld, een combinatie van F-hoorn en Bes-hoorn in ť©ģ instrument. Hiermee kan je het lage register van de een combineren met het hoge register van de andere. Met de revival van oude muziekinstrumenten is de natuurhoorn weer populair geworden.