Orgel


Het orgel behoort tot de groep oudste instrumenten die tegenwoordig nog bespeeld worden. Over het algenmeen bestaat het uit pijpen, hefbomen of toetsen en een luchtaanvoer. Het instrument vindt zijn oorprong in de eenvoudige pansfluit. Het orgel bestaat uit zeer veel pijpen van verschillende grootte, waarbij iedere pijp is eigenlijk een fluit is die ť©ģ toon kan produceren. Door mechanische balgen wordt de lucht door de pijpen geperst.Een elektrische generator zorgt door middel van een ventilator voor wind in de balg . Met registerknoppen selecteert de speler een reeks pijpen. Als een toets of een pedaal wordt ingedrukt, gaat de lucht naar de gewenste pijpen.


BOUW Windkast Om lucht door de orgelpijpen te kunnen blazen wordt een balg opgepompt - dit wordt de windkast genoemd. Vroeger kwamen er blaasbalgen aan te pas (al dan niet handmatig bediend) maar tegenwoordig wordt dat windwerk steeds meer elektrisch bediend. De meeste speeltafels hebben twee rijen toetsen (klavieren of manualen). Oude orgels bedienden met manualen alle schuiven mechanisch wat aanleiding gaf tot zeer zwaar te bespelen orgels (tot wel 2 kg per toets). Eind 19e eeuw werd de pneumatische tractuur uitgevonden waarbij de mechanische bediening van registers en de verbinding tussen toets en pijp door middel van luchtdruk tot stand kwam. Nog recenter werd de electro-pneumatische tractuur ontwikkeld waarbij alle contacten tussen speeltafel en de windladen met behulp van electromagneten en contacten tot stand komen. Tegenwoordig wordt echter bij nieuwbouw van orgels veelal terug gegrepen naar de aloude mechanische tractuur. Het voordeel hiervan is immers dat de organist echt "voeling" heeft met het instrument. Manualen Een pijporgel heeft doorgaans twee of meer manualen en een pedaal. Met registerknoppen kunnen series pijpen gekoppeld worden aan (een deel van) een manuaal. Hetzelfde geldt voor het pedaal. Een organist leest doorgaans van bladmuziek die in drie balken genoteerd wordt van boven naar beneden: rechterhand, linkerhand en pedaal. Pedaal Ook met de voeten kan men nog toetsen indrukken, het voetklavier noemt men pedaal. In het inwendige van een orgel staan de orgelpijpen op zg. windladen, waardoor de lucht door middel van een of meer balgen wordt aangevoerd. De pijpen zijn vervaardigd van een speciaal soort metaal - het geringste deukje in een pijp doet deze vals klinken -, er zijn echter ook houten pijpen in een orgel aanwezig. Registers Links en rechts en of boven de klavieren bevinden zich uittrek-knoppen waarmede bepaalde registers ingeschakeld kunnen worden: sommige registers klinken min of meer als violen, andere als zangstemmen of blaasinstrumenten. Een register kan worden ingeschakeld voor ť©ģ of meer manualen en/of het pedaal. De kunst van het orgelbouwen werd ontwikkeld door de oude Grieken en Romeinen en doorgegeven aan de volkeren van het Midden-Oosten. Deze kunst bleef sinds de middeleeuwen bijna exclusief tot Europa beperkt en werd pas later tot de V.S uitgebreid. De belangrijkste stadia in de ontwikkeling van het moderne orgel, spreiden zich uit over zo'n 2000 jaar en omvatten de invoering van de toetsen, het toevoegen van registers en de mechanisatie van de werking. De nieuwste ontwikkeling is het gebruik van elektriciteit om het mechanisme aan te drijven.


GESCHIEDENIS Omdat het pijporgel veel te omvangrijk en kostbaar was voor huiskamer gebruik werd gezocht naar een vervanger. Die ontstond in de vorm van het harmonium. De moderne elektronica heeft de verdere ontwikkeling van de huisorgels mogelijk gemaakt. Deze instrumenten zijn geen blaasinstrumenten meer, omdat de opwekking van de toon geheel langs elektronische weg geschiedt. Beroemde orgelbouwers uit het verleden zijn Gottfried Silbermann, Arp Schnitger en Albertus Antoni Hinsz. Vermaarde hedendaagse orgelbouwers zijn Flentrop, Adema, Verschueren, Boogaard, Van Vulpen, Pels & van Leeuwen en Bernhardt Edskes.