Doedelzak


doedelzak

De doedelzak is een instrument dat bestaat uit een zak van leer waar pijpen van verschillende lengte doorheen steken. De zak waar lucht in zit wordt onder de arm gehouden en ineen gedrukt, waardoor een toon in de drie bourdon-pijpen kan ontstaan. Op één pijp (de chanter) speelt men de melodie, terwijl de drie andere pijpen (bas-bourdon en de tenor-bourdons) voortdurend dezelfde toon voortbrengen. Op de chanter zijn gaten aangebracht die met de vingers kunnen worden afgesloten zodat er een melodie mee gespeeld kan worden. Dan is er nog een mondpijp die gebruikt wordt om lucht in de zak te blazen (ook zijn er doedelzakken waarmee men via een blaasbalg lucht in de zak blaast). Omdat de rietbladen (in elke bourdon-pijp zit een rietblad) het geluid produceren met de lucht uit de zak, en niet direct uit de mond, kan de speler ademhalen onder het spelen en op die manier een ononderbroken geluid voortbrengen. Enige voorbeelden van nog bestaande doedelzakken in Europa: Bock (Duitsland, Bohemen), Gaida (Balkan), Highland pipes, small pipes (Schotland), Musette, cornemuse, veuze, cabret, boa, chabret, grande bourbonnais, biniou (Frankrijk), Northumbrian pipes (Schotland, Noord-Engeland), Pijpzak (Vlaanderen, Nederland), Small pipes (Engeland), Uillean pipes (Ierland), Zampogna (Sicilie), Gaita (Spanje), Sackpipa (Zweden). De bekendste vorm is waarschijnlijk de Schotse (highland) doedelzak, hoewel dit eigenlijk een buitenbeentje is. Het is een bijzonder luid instrument dat bedoeld is voor het slagveld, met een beperkte toonomvang van 1 octaaf. De Ierse doedelzak daarentegen is een minder snerpend kamerinstrument dat geschikt is voor samenspel met fluit, viool, banjo enz. en dat een bereik heeft van 2 octaven.


GESCHIEDENIS De doedelzak is een bijzonder oude vorm van blaasinstrument. Vermoed wordt dat het instrument ca. 2000 v.Chr. is ontstaan in de regio India en Pakistan en vervolgens door de tochten van Alexander de Grote naar het westen is gebracht. Doedelzakken kwamen al voor in het Oude Egypte en hebben zich in de Romeinse tijd over geheel Europa verbreid. In Schotland en Ierland zijn ze in de loop der eeuwen een onderdeel van de cultuur geworden. In de oervorm van het instrument worden 驮 of meerdere pijpen, meestal met een enkel riet in de mond gestoken en vormen de mond en de wangen de luchtkamer. Er wordt dan vaak circulaire ademhaling toegepast: de keel wordt gesloten en de druk in de wangen houdt de trilling in de rieten op gang terwijl men door de neus in ademt. (Deze ademtechniek wordt tegenwoordig ook nog door hobospelers gebruikt). Een voorbeeld van deze oervorm is de Griekse aulos  die in de oudheid bijzonder populair was en door classici meestal (ten onrechte) met 'fluit' in plaats van schalmei vertaald wordt. Ook heden ten dage worden schalmeien als de launeddas op Sardinie en de Zurla op de Balkan nog gebruikt. In deze oervorm ondergaat de speler enige bijkomstigheden van de speeltechniek: zijn wangen dreigen uit te zetten en hij krijgt bloeddoorlopen ogen. Soms had de aulosspeler een leren band om zijn mond om het uitlubberen van de wangen wat tegen te gaan.Een volgende stap in de ontwikkeling is nog in Duitsland te vinden: de Plattenspiel. Bij dit instrument zijn de wangen vervangen door een varkensblaas waar de speler via een blaaspijp in blaast. De derde stap in de ontwikkeling is de vervanging van de varkensblaas door een leren zak met een blaaspijp met klep. In deze vorm is het instrument bekend over heel Europa. De vierde stap is het toevoegen van regulators, welke bij de Ierse uillean pipes gebruikt worden voor het spelen van begeleidende akkoorden. Al in de Romeinse tijd is er een ontwikkeling geweest om de bediening van het instrument verder te mechaniseren met een speeltafel. Dit heeft geleid tot het ontstaan van het orgel. Tot 1900 had vrijwel iedere landstreek in Europa zijn eigen lokale versie van het instrument, soms zelfs meer dan één. In de tijd van urbanisatie en industrialisatie zijn echter veel vormen uitgestorven.