Luit


De luit heeft een bol klanklichaam in de vorm van een overlangs doorgesneden ei. De korte brede hals is bevestigd aan het smalle eind van het klanklichaam. De stemknoppen zitten doorgaans in een achterovergeknikte knoppenkast. De gebruikte materialen zijn zeer dun en bijgevolg is het instrument kwetsbaar. Een renaissance- of barokluit in ongerestaureerde, speelbare staat is een zeldzaamheid. De naam luit is afgeleid van het arabische "al ud", hetgeen het hout of "het stokje" betekent. De gebruikte benamingen in vrijwel alle europese landen gaan terug op de oorspronkelijke benaming. GESCHIEDENIS De luit is een van oorsprong Arabisch snaarinstrument dat in Europa een grote populariteit heeft genoten in de perioden die we nu kennen als late Middeleeuwen, Renaissance en Barok. Het instrument is in Europa verspreid via de in het Iberisch Schiereiland aanwezige Moren en door deelnemers aan diverse kruistochten. In Europa maakte de luit een ontwikkeling door die ervoor zorgde dat het aantal snaren werd uitgebreid. Tevens verkreeg het instrument frets waardoor het spelen van akkoorden werd vergemakkelijkt (maar de Arabische kwarttonen niet meer mogelijk waren). Vanaf circa 1500 kent de luit een grote bloei, en er wordt dan bijzonder veel muziek voor gecomponeerd. Bekende componisten zijn Francesco da Milano (1497-1543), John Dowland (1562-1626), verscheidene leden van de Gautier dynastie (1575-1672) en Sylvius Leopold Weiss (1686-1750).